Stimulerende signalering of signalering met een lijst?

Definitie hoogbegaafdheid?

Bij signaleren begin je logischerwijze met vast te stellen wat volgens wetenschappers leerling eigenschappen zijn waaraan je de te signaleren leer- of gedragsstoornis kunt herkennen. Als je wil signaleren of een kind mogelijk hoogbegaafd is, begint daar al meteen de moeilijkheid. Er schijnen meer dan 100 definities van hoogbegaafdheid te zijn en maar over twee dingen zijn die definities het eens: er moet sprake zijn van uitzonderlijke cognitieve begaafdheid (intelligentie) én hoogbegaafdheid is dat niet alleen. Over de eigenschappen die er dan nog aanvullend bij moeten komen lopen de meningen soms ver uiteen. Eén eigenschap komt bij relatief veel definities terug: creativiteit, maar ook hooggevoeligheid en perfectionisme worden vaker genoemd.

 

Model van Tessa Kieboom

Ondanks de twijfel die sommige wetenschappers hebben bij haar zijnsluik stel ik toch voor om de eigenschappen die uit dit model naar voren komen nu als uitgangspunt te nemen. (Maar een ieder is natuurlijk vrij om voor een ander model te gaan.) Dan hebben we het dus over (het cognitief luik): hoge intelligentie, hoog creatief vermogen en hoge motivatie en leerhonger als het gaat om zaken die het kind boeien en verder (het zijnsluik): perfectionisme dat kan uitdraaien op faalangst, een groot rechtvaardigheidsgevoel, hooggevoeligheid en zeer kritische houding.

 

Stimulerend signaleren

Wel nu, dan komt het er natuurlijk op neer dat je kinderen moet uitdagen om die 7 eigenschappen te laten zien, vanaf dag één dat je hen onder je hoede hebt. Dus in het geval van een basisschool vanaf groep 1 (of 0?) moeten de kinderen bijvoorbeeld uitgedaagd worden tot creatieve oplossingen, terwijl ze natuurlijk geneigd zijn, omdat ze erbij willen horen, om juist te imiteren wat anderen doen. Want we moeten niet de drie psychologische basisbehoeften gevonden door Desi en Ryan vergeten: autonomie, binding en competentie! Voorwaar hier is nog een slag te halen! En dan kom je er niet alleen met af en toe een denksleutel te hanteren. Nee, stimuleren van divergent denken zou altijd aan het begin van een thema gehanteerd moeten worden en natuurlijk door alle kinderen. Als er dan eentje steeds opvalt met wel heel originele ideeën: bingo! En dat geldt natuurlijk ook voor de “werkjes” die bedoeld zijn om het analytisch denken te stimuleren: het moet niet zo zijn dat een groep twee leerling tegen een groep één leerling zegt: dit werkje is voor groep 2 en dus niet voor jou. En zo zou ik door kunnen gaan met de overblijvende 5 kenmerken.

 

Geen signaleren zonder stimuleren

Ik wil hiermee vooral zeggen; signaleren met een lijstje heeft alleen zin als je standaard door de dag heen kinderen stimuleert om hun talenten te laten zien. En zeker niet stimuleren om hetzelfde te zijn als de anderen. Hiermee wil ik overigens geen pleidooi houden om dan ook maar alle klasse-regels af te schaffen. Want aan deze gezamenlijk bedachte en afgesproken regels moet iedereen zich wel degelijk conformeren. Al is het natuurlijk wel zo dat de beredeneerde uitzondering de regel bevestigt. Dus als je als school voor een model van hoogbegaafdheid hebt gekozen is het vooral zaak om met elkaar af te spreken hoe je deze kenmerken van groep 1 tot en met groep 8 gaat stimuleren.

 

Peergroep onderwijs

Eigenlijk is het ook nog niet eens belangrijk of een kind nu wel of niet hoogbegaafd genoemd kan worden, het is belangrijker om te kijken hoe je aan zijn kenmerken en dat kunnen dus talenten en beperkingen zijn tegemoet kunt komen, dus ook dan kom je weer bij talenten en uitdagingen i.v.m. beperkingen stimuleren. Dan kun je als school namelijk ook tot de conclusie komen dat je eigen schoolbevolking en je eigen systeem ook zijn beperkingen heeft. Kinderen die één of meer van de door Tessa Kieboom onderscheiden kenmerken in zeer hoge mate heeft, kan zich ook in hoge mate anders en alleen gaan voelen, wat je als school ook allemaal doet. Dan zul je als school de mogelijkheid moeten aanbieden om in deeltijd of voltijd peergroep onderwijs te volgen op een andere school. Ook versnellen is een maatregel die je als school zult moeten aanbieden, want het is ook geen versnellen, het is gewoon het kind in zijn eigen cognitieve tempo laten ontwikkelen en dat niet tegen houden. Dat laatste komt helaas zelfs ook op voltijds peergroep onderwijs voor!

 

Onderwijsbehoeften hoogpresteerders

Ik hoop dat ondertussen duidelijk is dat hoge prestaties niet een absoluut kenmerk is van hoogbegaafde kinderen. Maar dat betekent natuurlijk niet dat kinderen die voortdurend I+ scores halen geen andere onderwijsbehoeften hebben dan de doorsnee kinderen. Ook voor hen moet er oefenstof zijn dat hen uitdaagt om zich verder te ontwikkelen.

 

Verbaal performaal kloof en het getal 130

Met al het goede dat de veel te vroeg overleden pionier op het gebied van begeleiding van hoogbegaafen, Rob Brunia, heeft gedaan, is er ook een hardnekkig misverstand dat hij in de wereld heeft gebracht: de verbaal/performaal kloof. Judith Te Boekhorst-Reuver (2002, CBO Nijmegen) heeft onderzoek gedaan naar deze kloof. Hierbij viel op dat 50% van de hoogbegaafde kinderen een discrepantie van 9 punten of meer had. En er werd geen verband gevonden tussen een discrepantie en schoolproblemen. (Judith is overigens ook de initiator van de DVL waaruit mijn LOOD-lijst is ontstaan.) Verder is het goed te bedenken dat bij de uitslag van een IQ-test steeds ook het betrouwbaarheidsinterval wordt genoemd (als het goed), dus ook een uitslag van 125 zou ook maximaal 130 kunnen betekenen.

 

Selecteren voor een hoogbegaafdheidsvoorziening

Uit het bovenstaande mag duidelijk zijn geworden dat de criteria die soms gehanteerd worden voor toelating tot een hoogbegaafdheidsvoorziening vaak erg discutabel zijn. En eigenlijk is het de boel ook weer omdraaien: in plaats van zich af te vragen welk onderwijs bij dit kind hoort, vraagt men zich weer af of dit kind wel bij dit onderwijs past….